Het begon bij vermoeidheid. Bij verlies. Bij het gevoel mezelf ergens onderweg kwijtgeraakt te zijn, en ik had constant pijn in mijn buik. 

Lange tijd leefde ik vanuit beweging. Doorgaan. Altijd klaar staan voor de ander, altijd onderweg naar het volgende. Tot mijn lichaam stop zei. En relaties me lieten zien hoe ver ik van mezelf verwijderd was geraakt.

Ik wist dat ik naar buiten moest. Om mezelf weer vanbinnen te leren kennen en te vertrouwen. De natuur in.

In regen, zon en alles daartussenin. Ik begon te wandelen. Alleen. In stilte. Niet om ergens aan te komen, maar om weer te kunnen horen wat er in mij leefde.

De stilte verzachtte. En legde tegelijk alles bloot. Maar langzaam veranderde er iets. De ruis van de buitenwereld verdween naar de achtergrond.

Mijn adem werd dieper. Mijn lichaam opener. En ergens daaronder vond ik iets terug wat nooit echt weg was geweest.


Ik begon weer te schrijven. Niet om iets te maken, maar om mezelf te ontmoeten. Woorden die spiegels werden.

Kleine ankerpunten onderweg naar huis. De natuur werd nog meer mijn leermeester. Het ritme van wandelen, de seizoenen. De wind langs de oceaan. De stilte en de geluiden in mijn tuin en het bos.

Thuis zittend op mijn kleed. Daar herinnerde ik me: Er is niets om te worden. Alleen iets om naar terug te keren. Wat ik hier deel ontstaat vanuit die plek. Niet als methode. Niet als antwoord. Maar als een uitnodiging om opnieuw te luisteren naar jezelf.